2.

Rode draden

Elke gemeente is uniek, in opgaven, werkwijze, maar ook in specifieke omstandigheden. Opgaven in steden verschillen sterk van die in plattelandsgebieden. En die verschillen zien we ook tussen grote en kleine gemeenten.

In aanloop naar deze regionale agenda is op verschillende manieren input verzameld bij de gemeenteraden en colleges. Uit diverse bijeenkomsten en gesprekken destilleerden we een aantal rode draden. Deze geven we weer in dit hoofdstuk.


Gedeeld beeld over de opdracht voor Holland Rijnland

Mobiliteit, wonen, groen en de energietransitie zijn veel genoemde onderwerpen waar - naast lokale inzet - ook regionale samenwerking nodig is. Een gezamenlijke verdieping en concretisering is gewenst om te bepalen waar de regionale samenwerking zich specifiek op moet richten en wat onze gezamenlijke ambitie daarbij is. Onontbeerlijk is een integrale benadering en een gemeenschappelijk beeld van de opgave op regionaal niveau.

De producten en diensten uit de regionale agenda voor het domein Economie & Leefomgeving kunnen behulpzaam zijn in dit proces. De grondhouding bij onderhandelingen over ruimtelijke thema’s moet zijn dat het zoet en het zuur onderling wordt verdeeld. Een regionaal ruimtelijk afwegingskader kan daarbij van nut zijn. De wens is uitgesproken om dit projectmatig aan te pakken en niet als permanente rol of structuur op te tuigen. Daarbij dienen de raden vroegtijdig te worden betrokken.


Er is behoefte aan een nieuwe mobiliteitsvisie op de schaal van Holland Rijnland, gericht op onze uitdagingen voor de toekomst. Mogelijk vraagt dit om een nieuw investeringsfonds. De huidige plannen ronden we af en nieuwe plannen hoeven daar niet op te wachten.

De meeste gemeenten kiezen voor een gezonde mix tussen verschillende manieren van vervoer. Waar het kan met de fiets en het openbaar vervoer, maar we werken ook zeker aan een betere doorstroming van het wegverkeer. Duurzaamheid is hierbij het sleutelwoord. Tegelijkertijd zijn we ook realistisch. Het idee dat alleen een beter OV de mobiliteit genoeg gaat verbeteren, is een utopie. De verdere verstedelijking van onze regio wordt daarbij gezien als kans, omdat er dan op een andere manier naar bewegen wordt gekeken. Hierbij geldt dat bouwen en ontsluiting gelijk met elkaar op moeten gaan. Als het gaat om bereikbaarheid is Holland Rijnland sterk afhankelijk van de omgeving. Dit vraagt om gerichte lobby en samenwerking.


Gemeenten benutten het regionale platform om elkaar aan te spreken over tempo en realisatie van woningbouw. Maar ook over lobbykracht richting Den Haag voor voldoende investeringskracht van corporaties.

Om tijdig en voldoende sociale huurwoningen te realiseren, is er meer nodig dan een regionale afspraak over 25% sociale woningbouw. Dat realiseren de gemeenten zich. Omdat momenteel de investeringskracht van de corporaties onder druk staat, laten gemeenten een deel van de sociale opgave door marktpartijen bouwen. Deze woningen blijven echter maximaal 15 tot 20 jaar in het sociale segment. Wanneer deze woningen ‘omklappen’ naar marktconforme huur, dan vrezen gemeenten een gigantisch tekort aan sociale woningbouw. Holland Rijnland kan helpen dit signaal in Den Haag neer te leggen. Er is behoefte aan een regio-brede discussie over het verdeelmechanisme, de voorwaarden voor urgentie en de schaal waarop gemeenten gezamenlijk sociale huurwoningen verdelen. Er gaan ook stemmen op om voor de regionale woningbouwprogrammering en woonruimteverdeling een proces op te tuigen, net als bij de energietransitie, en de raden aan de voorkant hierbij goed te betrekken.

‘Raadsleden zijn gekozen door inwoners van gemeenten, die
vertegenwoordig je. Daar moet je verantwoording aan afleggen.’

- Zoeterwoude -

Raadsleden geven echter te kennen dat de raadsbetrokkenheid bij de voorbereiding van besluitvorming in het kader van de realisatie van de energietransitie nog beter kan. Gemeenten hechten veel belang aan het betrekken van burgers bij de energietransitie. Vraag is wat men met betrekking tot participatie verwacht van Holland Rijnland. Burgerparticipatie is vooral aan de orde op lokaal niveau. Hierin zien raadsleden ook een rol voor zichzelf. Anderen verwachten ondersteuning vanuit Holland Rijnland in het faciliteren van het participatieproces.


Voor de energietransitie zijn enthousiasme en lokale initiatieven cruciaal voor een breed draagvlak. Gemeenten willen en kunnen op dit thema veel zelf doen. Denk aan energiecoaches, besparing en isolatie.

De rol van Holland Rijnland kan daarbij bestaan uit het delen van informatie en goede voorbeelden, het aanjagen van de transitie en het faciliteren ervan. Volgens veel gemeenten kan niet alles lokaal worden opgelost. Regionale samenwerking is van belang voor de realisatie van meer grootschalige duurzame energieopwekking en ruimtelijke vraagstukken die hiermee samenhangen.


Er is ook ongemak en ongenoegen over de forse opgave voor verduurzaming van energieopwekking in eigen regio. Daarbij gaat het over de betaalbaarheid en het creëren van draagvlak. Er is gesuggereerd om de in het Energieakkoord gestelde ambities bij te stellen, technologische ontwikkelingen af te wachten en niet langs infrastructuur aan te leggen - hetgeen draagvlak heeft - maar juist geclusterd.

‘Om de energietransitie tot een succes te maken zijn investeringsbeslissingen noodzakelijk van bijvoorbeeld netbeheerders. Wij vinden het daarom van belang dat in een vroeg stadium partijen zoals Liander worden betrokken bij de RES.’

– Alphen aan den Rijn
-

Gemeenten zijn bevreesd dat natuur en landschap bij alle genoemde ontwikkelingen zoals verstedelijking, mobiliteit of duurzame energie verder onder druk komen te staan. Regionale samenwerking kan volgens sommigen helpen om groen meer gewicht te geven tegenover al die andere ontwikkelingen. Zo is gesuggereerd dat dit kan in de vorm van een Groenakkoord – vergelijkbaar met het Energieakkoord – of met een wensenkaart met iconische projecten. Deze kunnen we onder andere realiseren via landschapstafels en maatschappelijke partijen. Ook zouden we bij elk advies, bijvoorbeeld over verstedelijking, een paragraaf moeten toevoegen over de kansen en gevolgen voor het groen. Er wordt opgeroepen opgaven te combineren, zoals bijvoorbeeld de aanpak bodemdaling en biodiversiteit.

In het sociaal domein is er regionaal draagvlak voor kennisdelen, lobby en belangenbehartiging. Verschillende gemeenten vragen aandacht voor beperking van administratieve lasten voor (jeugdhulp)aanbieders, behoud van het zorglandschap en afstemming van de (inkoop) strategie voor jeugdhulp. Doorontwikkeling van het sociaal beleid is steeds meer een lokale en subregionale aangelegenheid. Tegelijkertijd beseffen gemeenten dat ze elkaar in de regio nodig hebben om lokale opgaven te kunnen realiseren. Gemeenten willen de opgedane kennis in de regio in stand houden, kennisdelen, in gesprek blijven met elkaar en de slagkracht richting Den Haag behouden. Bijvoorbeeld in de lobby voor meer geld voor de jeugdhulp. Ook voor de decentralisatie van de maatschappelijke zorg is het logisch om op onderdelen de schaal van Holland Rijnland te benutten.

‘Voor Holland Rijnland zien wij een rol om te komen tot regionale afspraken
over de gewenste investeringen in mobiliteit en het lobbyen om de financiering
hiervoor rond te krijgen'

- Katwijk -

Strategische positionering van de regio

Verschillende gemeenten zien voor Holland Rijnland een rol weggelegd bij de aansluiting met randgemeenten, zoals de Haarlemmermeer, Uithoorn, Ronde Venen maar ook bij andere overheidsorganen zoals de provincies Noord- en Zuid-Holland en de metropoolregio’s MRDH en MRA. Lobby behelst meer dan lobby richting Rijk en provincie(s). Het betreft ook het gezamenlijk uitdragen van een standpunt in de vele gremia waar portefeuillehouders uit het DB de regio Holland Rijnland vertegenwoordigen. Holland Rijnland heeft volgens de gemeenten ook een belangrijke rol bij het signaleren van ontwikkelingen in bovenregionaal beleid, het strategisch positioneren van de regio en afstemming en samenwerking met andere regio’s en de provincies Noord- en Zuid-Holland.

Betrokkenheid van gemeenteraden

Betrokkenheid van de raden is een zorgpunt. De colleges zien daarbij een rol voor zichzelf, maar ook voor Holland Rijnland als organisatie. De bestaande Themacafés en het jaarlijkse regiocongres vervullen daarbij zeer zeker een behoefte, maar nodig zijn ook andere vormen van betrokkenheid van raden voor onderwerpen die sterk in de politieke belangstelling staan. Hierbij wordt gedacht aan het bespreken van onderwerpen met college- en raadsleden naast het formele deel van bijeenkomsten van het Algemeen Bestuur of tijdens een regionale raadscommissie.

Vernieuwde werkwijze

Rode draden zien we ook in de wijze waarop vraagstukken worden aangepakt. De wens om vanuit de (maatschappelijke) opgave te werken, in plaats van sectoraal, is zo’n rode draad. Verbindingen tussen opgaven worden zo eerder zichtbaar dan bij een sectorale aanpak. Bijvoorbeeld door de energietransitie te verbinden aan mobiliteit, wonen, arbeidsmarkt en groen wordt op al die terreinen winst geboekt voor inwoners. Zij worden immers óók met al deze opgaven gelijktijdig geconfronteerd. Dit vraagt ook – of misschien juist – in de regionale samenwerking een integrale aanpak.

Verschillende (sub)regionale samenwerkingsvormen veroorzaken een te grote bestuurlijke drukte en kennen bovendien inhoudelijke overlap. Gemeenten signaleren ook dat Holland Rijnland teveel een besluitenmachine is geworden. Er is behoefte aan meer ruimte voor ‘het goede gesprek’ over de inhoud. Vaste, vooraf bepaalde structuren in de regionale samenwerking zijn soms weinig inspirerend of contraproductief.


Per opgave kan een andere vorm van samenwerken effectief zijn. Een ‘one size fits all’ aanpak past niet bij de eigenheid en verscheidenheid van de verschillende producten. In de zoektocht naar een constructieve en efficiënte manier van regionaal samenwerken, is ook het cafetariamodel genoemd. Een werkgroep ‘Werkwijze’ is met dit onderwerp aan de slag gegaan en zal tegelijk met de besluitvorming over deze regionale agenda hierover een advies uitbrengen. Aangezien een grotere raadsbetrokkenheid een belangrijk aspect is van de nieuwe werkwijze, zal de inbreng van de raden hierbij worden gezocht.

Conclusie

Samenvattend, gemeenten worden geconfronteerd met complexe opgaven waarvoor zij individueel geen of onvoldoende instrumenten in handen hebben. Er is dan ook draagvlak voor regionale samenwerking. Deze samenwerking dient vorm te krijgen in een vernieuwde manier van werken met in het bijzonder aandacht voor integraliteit, een grotere betrokkenheid van de raden en een concreet gemaakte bijdrage van Holland Rijnland.